6. De uitvreter, Titaantjes, Dichtertje - Nescio

Onderdeel van de leeslijst: Een roman/novellebundel uit de periode 1910-1945 naar keuze van F. Bordewijk, M. ter Braak, W. Elsschot,  Nescio, S. Vestdijk, E. du Perron, A. van Schendel of J.J. Slauerhoff.
Dit boek is uitgebracht in 1911.

Samenvatting:
De uitvreter
Koekebakker ontmoet Japi via zijn vriend Bavink. Bavink heeft Japi ontmoet in Zeeland. Japi tuurde over het water en Bavink vond hem erg interessant. Samen gaan ze leven van het geld dat Bavink verdient aan zijn schilderijen. Japi maakt niet alleen misbruik van Bavink, maar ook van de andere vrienden. Na een tijdje verliezen ze Japi uit het oog. Hij heeft een baan aangeboden gekregen van zijn vader die hij moest aannemen. Nu is hij geen uitvreter meer. Ondertussen heeft hij ook nog een tijdje een verhouding gehad met Jeanne. Zij is gestorven aan kanker. Japi voelt zich niet gelukkig. Hij moet van zijn werk naar Afrika Na 2 jaar komt hij weer terug maar hij is erg ziek. Japi ziet het niet meer zitten en pleegt zelfmoord door van een brug af te stappen
 
Titaantjes
Koekebakker, Hoyer, Bekker, Ploeger en Bavink vormen een vriendengroep, De Titaantjes. Ze komen vaak bij elkaar en bespreken dan wat ze van het leven vinden. Ze bespreken hoe het is en hoe het eigenlijk had moeten zijn. Ze denken dat de rijke heren het veel beter hebben dan zij, maar toch denken ze ook weer van niet. Uiteindelijk gaan ze elk hun eigen weg. Na 6 jaren rondzwerven besluit Koekebakker om weer terug te gaan. Hij krijgt weer de verlangens terug die hij had, maar beseft dat ze nooit zullen uitkomen. Koekebakker gaat zijn vrienden opzoeken en kijken wat er van iedereen is terechtgekomen. Hoyer is nog steeds een zeer succesvolle schilder. Hij heeft erg veel geld en woont nu bij een vrouw achter het concertgebouw. Bavink schildert nog steeds maar is een alcoholist en krankzinnig geworden. Ploeger verdient erg weinig. Hij werkt bij een gasfabriek. Hij is erg ongelukkig en heeft veel kinderen. Koekebakker, de ik-persoon, is journalist. Hij verdient niet veel maar is tevreden met wat hij krijgt.
 
Dichtertje 
Eduard mis dichtertje in dit verhaal. Hij is een kantoorbediende. Hij droomt ervan om een grote dichter te worden en te trouwen met een dichteres. Hij trouwt met Coba en met haar krijgt hij een dochter, Bobi. Ondertussen verlangt hij naar jonge vrouwen, maar hij blijft Coba trouw. Het gaat steeds beter met dichtertje, hij maakt promotie. Tot op een moment hij wel vreemd gaat met Dora, de zus van Coba. Hij heeft toe gegeven aan zijn verlangens en dat loopt slecht af. Hij wordt krankzinnig, hij denk dat hij God is. Op het moment dat zijn grootste wens uitkomt, zijn boek wordt uitgegeven en is een groot succes, sterft dichtertje. - Coba: Zij is de vrouw van dichtertje. Zij heeft ook verlangens. Ook zij verlangt naar seks met een ander. Coba steunt haar man goed in zijn werk. Zij helpt hem graag. Na een jaar huwelijk krijgt ze een baby, Bobi. Dichtertje en Coba hebben wel een goed huwelijk. Nadat haar man is overleden, woont ze samen met haar dochter en samen met haar zus Dora en haar kindje. - Bobi: Zij is de dochter van dichtertje en Coba. - Dora: Zij is de zus van Coba. Ook zij heeft verlangens. Ze houdt van haar zwager en wil graag net zoo goed kunnen schrijven als hem. Als dichtertje haar naar Beek en Dal brengt om bij te komen omdat haar man is overleden, kunnen beide mensen hun verlangens bijna niet onderdrukken. Dit houden ze niet lang vol en nadat ze na een tijdje toch toegeven aan hun verlangens en me elkaar naar bed gaan, gaat het mis. Dichtertje wordt gek. Nadat dichtertje is gestorven gaat Dora met haat kindje bij haar schoonzus wonen.
 
Recensie:
Er is niets controversieels aan het lezen van Nescio in Amsterdam, niet als Lolita in Teheran. J.H.F. Grönloh was Amsterdammer (‘Goddank’) en zijn romans De Uitvreter, Titaantjes en Dichtertje (1911, 1915, 1918) hebben iets onschuldigs. Ze stralen een weldadige weemoed uit, een melancholie die je projecteert op de tijd dat deze boeken spelen. Het is een soort oneindige studententijd, met net genoeg te eten (de twee ons boterhammenworst die Koekebakker in De Uitvreter voor morgen bewaarde, was ‘een rijkdom die ik sedert mijn verjaardag niet gekend had, en dat was maanden geleden’), nachtelijk rondzwerven door stad en land en ellenlange discussies over God en het socialisme. De sobere, spreektaal benaderende stijl, met archaïsmen en verkleinwoorden als in de boekjes die je op de basisschool las sterkt je in die indruk. Als Japi, de uitvreter, Koekebakkers worst ontdekt: ‘“Kerel,” zei i, “weet je dat je worst in huis hebt?” Of ik ’t wist.’
Hoe zat het ook alweer? Je hoeft de beginzinnen maar te citeren voor herkenning. ‘Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.’ De Uitvreter, dat is Japi, een vrolijke nietsnut die geïntroduceerd wordt in de kleine vriendenkring die ook in Titaantjes zal terugkomen. Hij leent je editie van Balzac, eet je worst op, ‘een ordinair volksvoedsel’, en drinkt op je kosten. Hij zwerft wat rond, geniet, doet twaalf ambachten, krijgt een vriendin, maar wordt er niet vrolijker op. Uiteindelijk pleegt hij zelfmoord, stapt hij van de Waalbrug.
‘Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ’t zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is.’ Titaantjes, hemelbestormers waren het, deze jongens, ze werden volwassen, en Koekebakker doet hun verhaal. Van de ‘heele zomernachten’ dat ze ‘tegen ’t hek van ’t Oosterpark stonden te leunen en honderd uit te boomen’. Van lange wandelingen, van discussies waarin niets heel gelaten werd. Zola, ja, Jaap Maris, ja. Ze lazen Dante, Prediker, ’t Hooglied. Ze droomden van een kunstenaarskolonie. En toen kwamen de baantjes, de gezinnen, het verblijf in het buitenland. En Bavink, de schilder, wordt dus mal, snijdt zijn gezicht op Rhenen, zijn magnum opus, in stukken, en belandt in een gesticht. ‘En Koekebakkertje is een wijs en bedaard man geworden. Hij schrijft maar, ontvangt z’n schamel loon en geeft geen ergernis.’
Bij Nescio is het kleine aanleiding tot genoegen, de maaltijd, de wandeling, het gesprek over boeken, en grootse ambities worden gerelativeerd in een sobere stijl. En er mag gelachen worden, ook om fatsoenlijke lui en om God. Dat, en de weemoedige afstand waarvan zijn werk doortrokken is, dat wordt nog eens zwaar ingezet bij Dichtertje. Wel is het het de meest tragische van het drietal.
‘Een groot dichter zijn en dan te vallen’ is niet de beginzin van Dichtertje, maar het vat de plot ervan goed samen. Het dichtertje wordt verliefd, hij trouwt, en dan komt er een dichteresje in zijn leven. Het zusje van zijn vrouw, Dora, wordt verliefd op de oudere, getrouwde dichter, de spanning stijgt traag, en dan komt de ontknoping, als zij bij hem aanklopt:
‘“Ee, wat doe je?” Hij zat heel stil op den rand van ’t bed tusschen zijn knieën door naar ’t kleed te staren. Hij stond op: “Dora.” In dat eene woord was alles en ze hoorde ‘t.
Toen vielen ze samen peilloos diep door ’t licht en ze voelden hun lijven als zingende zonnen.’

Het loopt uiteindelijk niet goed af met het dichtertje; ook hij draait door.
Het is geen glorieuze score: twee gekken en een zelfmoord. Welke weldaad? Hoezo weemoed? Nescio was controversieel, zijn verhalen schenen te ‘choqueren; ze gooien alle conventie over boord en lachen met wat voor velen heilig is’. Dat kun je je in deze tijden niet meer voorstellen. Maar het staat er wel, er is ellende.
Misschien maakt de tragedie de komedie draaglijker, ik weet het niet, misschien is dat wel de kwaliteit van Nescio, dat hij niet terugdeinst voor de lach en de traan, maar het met zijn sobere stijl meteen weer relativeert, een weemoedige, niet-oordelende afstand creëert. Dat is uniek in de Nederlandse literatuur, maar hij had het niet van een vreemde. ‘Is het dan niet goed voor den mens, dat hij ete en drinke, en dat hij zijn ziel het goede doe genieten in zijn arbeid? Ik heb ook gezien, dat zulks van de hand Gods is.’ En in het eerste hoofdstuk van het bijbelboek: ‘Wat voordeel heeft de mens van al zijn arbeid, dien hij arbeidt onder de zon? Het ene geslacht gaat, en het andere geslacht komt; maar de aarde staat in der eeuwigheid. Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees.’ Nescio las Prediker, wij lezen Nescio.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten